Airbnb-verbod: Amsterdamse Huisvestingsverordening in strijd met de Huisvestingswet

31 Januari 2020

Jhr Mr N.J.M. Beelaerts van Blokland   beelaerts@salomonsbeelaerts.nl

In veel gemeenten wordt de vakantieverhuur van de eigen woning - zoals via Airbnb - gereguleerd via een huisvestingsverordening, zoals bedoeld een Huisvestingswet.

Met een dergelijke huisvestingsverordening mag een gemeente echter niet buiten het kader treden dat door de Huisvestingswet gegeven wordt. Kort gezegd kan de huisvestingsverordening niet meer zijn dan een uitwerking van de Huisvestingswet en daarbij dient het systeem van die wet te worden gevolgd. 

En hier gaat het mis bij de gemeente Amsterdam, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2020. De gemeente Amsterdam heeft in haar Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 namelijk een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen, die de Huisvestingswet niet kent. Omdat de Huisvestingswet de gemeente geen bevoegdheid heeft gegeven tot die vrijstelling, heeft de Afdeling deze bepaling onverbindend verklaard.

De Afdeling heeft daartoe als volgt overwogen:

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is het verboden woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad aangewezen categorie gebouwen aan de bestemming tot bewoning te onttrekken zonder een daartoe door het college afgegeven vergunning. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Huisvestingswet is de gemeenteraad bevoegd in de Huisvestingsverordening te bepalen dat een boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van dat verbod. Van deze bevoegdheid heeft de gemeenteraad gebruik gemaakt in artikel 4.2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Hoewel deze bevoegdheid ook met zich brengt dat de gemeenteraad mag bepalen dat bij vakantieverhuur van de eigen woning van boeteoplegging wordt afgezien als aan de in artikel 3.1.2, vijfde lid, onder a tot en met e, van de Huisvestingsverordening vermelde voorwaarden is voldaan, kan artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening naar het oordeel van de Afdeling niet als een zodanige uitwerking van die bevoegdheid worden aangemerkt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening vrijstelling verleent van het ingevolge artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet geldende verbod, terwijl de Huisvestingswet de gemeenteraad geen bevoegdheid geeft vrijstelling van dat verbod te verlenen. Daarom is artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening in strijd met artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en acht de Afdeling die bepaling in de Huisvestingsverordening onverbindend.

De gemeente Amsterdam bleef overigens bevoegd om een boete op te leggen. Op dit moment is er wetgeving in voorbereiding om gemeenten meer bevoegdheden te geven met betrekking tot de vakantieverhuur van de eigen woning, maar vooralsnog blijft de Huisvestingswet onverkort van kracht.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Niels Beelaerts van Blokland: beelaerts@salomonsbeelaerts.nl.