Gezagsbeëindiging wegens onvoldoende toekomstperspectief

06 December 2021

In het vaktijdschrift Jurisprudentie in Nederland (JIN 2021/42) is een annotatie van onze kantoorgenoot Maartje Wierstra gepubliceerd die zij heeft geschreven bij een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 februari 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:491

Waar ging het om?

Uit de relatie van de moeder en vader is in 2012 een zoon geboren. De relatie van partijen is verbroken. De vader heeft het kind niet erkend en is sinds 2012 ook niet meer bij het kind betrokken. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over het kind. Het kind is met ingang van 7 mei 2015 onder toezicht gesteld van een GI. Tevens met ingang van 7 mei 2015 is het kind op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaats in een pleeggezin. Direct in datzelfde jaar is gewerkt aan thuisplaatsing van het kind. Dit verliep niet goed; het kind viel terug in oud gedrag en gaf aan niet naar zijn moeder toe te willen. In 2017 is nogmaals naar een thuisplaatsing toegewerkt op basis van een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) dat was opgesteld in opdracht van de GI en het Gerechtshof. Het NIFP concludeerde dat het zowel op korte termijn als op lange termijn het meest wenselijk was voor de ontwikkeling van het kind om bij zijn moeder op te groeien. Hoewel het NIFP concludeerde dat er ook contra-indicaties voor thuisplaatsing waren, wogen de indicaties voor thuisplaatsing volgens het NIFP zwaarder. De bezoekregeling is in november 2017 opgeschort omdat het kind zodanig op de bezoeken reageerde dat het niet in zijn belang werd geacht om de bezoeken onverminderd door te zetten terwijl het kind ook aangaf niet naar zijn moeder toe te willen. Op verzoek van de GI is in februari 2018 een second opinion uitgebracht. De conclusie van het onderzoek was dat de gronden waarop het NIFP diens conclusies had doen steunen die conclusies niet zonder meer rechtvaardigen en er werd zelfs gemeend dat er gronden voor een tegenovergesteld advies waren. Uiteindelijk heeft de RvdK in november 2019 een rapport uitgebracht dat ten grondslag ligt aan het verzoek beëindiging gezag van de moeder. De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 21 juli 2020 toegewezen. De moeder heeft tijdig hoger beroep tegen de beschikking ingesteld en heeft verzocht om afwijzing van het verzoek van de RvdK alsmede om een belastbaarheidsonderzoek met als doel na te gaan of het kind nog een thuisplaatsing aan kan.

Juridisch kader

Bij kinderbeschermingsmaatregelen denkt men met name aan de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. De wet kent daarnaast ook de mogelijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel. De maatregelen van kinderbescherming zijn niet nieuw; de eerste maatregelen dateren van het begin van de twintigste eeuw. Door de jaren heen zijn er de nodige aanvullingen en wijzigingen doorgevoerd met een laatste fundamentele wijziging per 1 januari 2015. Per die datum is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. De wet beoogt om - meer dan voorheen - het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling centraal te stellen.[1] Met het oog daarop is gekozen voor een kindgerichte formulering van de maatregelen van ondertoezichtstelling en gezagsbeëindiging (voorheen ontheffing en ontzetting uit het gezag).[2] Gezagsbeëindiging wordt gezien als de meest vergaande maatregel van kinderbescherming. De maatregel volgt in de regel op een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, maar dat is niet noodzakelijk. Beëindiging van het gezag kan ook een op zichzelf staande maatregel zijn. Voor beëindiging van gezag is op grond van art. 1:266 lid 1 onder a BW vereist dat a) sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling én b) binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn geen verandering te verwachten is.[3]

Ernstig bedreigde ontwikkeling

In de wet(sgeschiedenis) en jurisprudentie is niet nader omschreven wanneer sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling. Of hiervan sprake is hangt immers af van de omstandigheden van het geval. Een ernstig bedreigde ontwikkeling komt veelal voort uit ongeschiktheid of onmacht om een minderjarige op te voeden.[4] Overigens is het niet noodzakelijk dat de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige zijn oorsprong vindt in het doen en laten van de ouder, maar kan zijn oorsprong ook vinden in het kind zelf. Te denken valt aan de situatie waarin een kind ernstige persoonlijkheidsproblemen heeft en daarbij behorende bijzondere zorg nodig heeft, welke zorg de ouder niet kan bieden.[5] Mijns inziens is gezagsbeëindiging in dergelijke situaties niet per definitie het instrument dat ingezet moet worden. Ook als vaststaat dat ouders vanwege kind eigen problematiek over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikken en de minderjarige niet thuis woont, zegt dit niet zonder meer iets over de mogelijkheid van de ouders om, al dan niet in overleg met de pleegouders of een hulpverlener, gezagsbeslissingen te nemen in het belang van het kind. Er zou tevens moeten blijken dat de ouders als gevolg van de benodigde bijzondere zorg onvoldoende oog hebben voor de belangen en behoeften van de minderjarige.

Aanvaardbare termijn

Er is geen maximale termijn in de wet opgenomen. Dat mag ook niet verbazen gelet op de in art. 1:266 lid 1 sub a BW gehanteerde terminologie waaruit volgt dat door de rechter beoordeeld moet worden wat voor de betreffende minderjarige - diens persoon en ontwikkeling in ogenschouw nemende - een aanvaardbare termijn is.[6] Dat verschilt per kind en is mede afhankelijk van diens leeftijd en ontwikkeling. Doel van het criterium van de aanvaardbare termijn is om een kind zo kort mogelijk in een periode van onzekerheid te laten verkeren over zijn verblijfplaats en het kind zodoende een toekomstperspectief te bieden.[7] 

Terug naar de casus. De vraag die voorligt is of er gronden zijn om het ouderlijk gezag van de moeder te beëindigen, welke vraag door het Hof bevestigend wordt beantwoord. Het Hof overweegt dat het kind fors probleemgedrag vertoont en dat de gedragsproblemen van de minderjarige voorafgaand aan en na afloop van bezoekmomenten met zijn moeder verergeren. Het Hof komt - in lijn met de RvdK - tot het oordeel dat de onzekerheid over zijn toekomstperspectief bijdraagt aan de instandhouding van het probleemgedrag en dat van het kind niet meer verlangd kan worden dat nog onderzocht wordt of hij nog een terugplaatsing aan kan. De aanvaardbare termijn is verstreken. Door het gezag van moeder te beëindigen, komt een eind aan de discussie over het verblijf van het kind bij het pleeggezin waar hij al vier jaar verblijft. Een nader onderzoek wordt niet in het belang van het kind geacht, zodat ook het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen ex art. 810 lid 2 Rv afgewezen. Op diezelfde dag is door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ook in een andere zaak beëindiging van het gezag uitgesproken.[8] In die zaak waren de kinderen met ingang van 8 juni 2018 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, welke maatregelen waren verlengd tot 8 juni 2021. Niet alleen de moeder (de vader was als gevolg van de uitspraak waarvan beroep wel uit het gezag ontheven doch kennelijk niet in hoger beroep gekomen) verzet zich tegen beëindiging van het gezag, maar ook de kinderen. Hoewel de kinderen het niet eens zijn met de maatregel, oordeelt het Hof dat de kinderen behoefte hebben aan duidelijkheid over hun toekomstperspectief en dat de aanvaardbare termijn in die zin is verstreken: "Door de onduidelijkheid omtrent dit perspectief worden de kinderen in hun ontwikkeling bedreigd, temeer nu de moeder de uithuisplaatsing niet accepteert en zij de kinderen hiermee belast. Om toe te kunnen komen aan hun ontwikkelingstaken is het noodzakelijk dat duidelijk wordt waar de kinderen verder zullen oproeien. Die duidelijkheid wordt gecreëerd met een gezagsbeëindiging. Een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing brengt met zich dat de situatie jaarlijks moet worden bekeken, met alle onzekerheid en opspelende loyaliteitsproblematiek voor de kinderen van dien.” (r.o. 3.7.2) De zaken verschillen op meerdere punten, waaronder de wens van de kinderen, hun leeftijd alsmede de tijdsduur voorafgaand aan de maatregel. In de tweede zaak zat tussen de eerste kinderbeschermingsmaatregel en de gezagsbeëindigende uitspraak in eerste aanleg twee jaar tegenover vijf jaar in de eerste zaak. Toch wordt het in beide zaken in het belang van de kinderen geacht om duidelijkheid te krijgen over hun toekomstperspectief. Toepassing van de gronden vereist maatwerk en de uitkomst is afhankelijk van de in het recht alom bekende omstandigheden van het geval.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Maartje Wierstra (per e-mail wierstra@salomonsbeelaerts.nl of telefoon +31(0)70 351 21 24).

 

[1] Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 6.

[2] Idem, p. 7.

[3] Art. 1:266 lid 1 sub b BW laat ik hier verder buiten beschouwing.

[4] Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 11. Het Nederlands Instituut heeft in de periode 2018-2021 onderzoek gedaan naar de aanscherping van de rechtsgrond 'ernstig bedreigde ontwikkeling’ en heeft diens bevinden uitgebracht onder de titel 'De wettelijke kaders van de jeugdbescherming’.

[5] Zie voor jurisprudentie onder de criteria die golden vóór 1 januari 2015 o.a. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8411 en Gerechtshof 's-Gravenhage 27 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0049.

[6] De voorwaarde van het ontbreken van een gerechtvaardigde verwachting dat de verantwoordelijkheid als bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW binnen aanvaardbare termijn weer kan worden gedragen is als het ware het spiegelbeeld van de voorwaarde van de aanvaardbare termijn in geval van ondertoezichtstelling. Voor een ondertoezichtstelling geldt immers juist de voorwaarde dat er een gerechtvaardigde verwachting moet zijn dat de ouder binnen een aanvaarbare termijn de zorg voor de minderjarige weer op zich kan nemen (art. 1:255 lid 1 onder b BW). 

[7] Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-9. De wetgever heeft daarin wel factoren genoemd die van belang zijn bij een afweging of de maatregel moet worden toegepast in het geval een minderjarige in een pleeggezin verblijft.

[8] Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:490.