Rechtbank Den Haag 26 april 2022 - Huisvestingsverordening Den Haag in strijd met Huisvestingswet

25 Oktober 2022

Jhr Mr N.J.M. Beelaerts van Blokland   beelaerts@salomonsbeelaerts.nl

Bij uitspraak van 26 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:4116) heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat de gemeenteraad van Den Haag ten onrechte een vergunningplicht heeft opgenomen in de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 voor omzetten van een zelfstandige woning in het hogere segment (woningen met een WOZ-waarde vanaf € 310.000,= op 1 januari 2020) in onzelfstandige woonruimte (kamerbewoning). De Rechtbank oordeelde dat de gemeenteraad de noodzaak hiertoe onvoldoende had aangetoond. De Rechtbank achtte de enkele stelling in de algemene toelichting op de Huisvestingsverordening dat de noodzaak zou bestaan om via een vergunningstelsel grip te houden op aanpassingen of wijzigingen in de gehele woningvoorraad onvoldoende. Deze uitspraak heeft betrekking op omzettingsvergunningen maar gaat in gelijke zin op voor woonvormingsvergunningen (bouwkundig splitsen), zoals volgt uit een latere uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:9072).

Daarnaast heeft de Rechtbank geoordeeld dat B&W met het vastgestelde beleid voor het verlenen van omzettingsvergunningen de grenzen van een redelijke beleidsregel te buiten waren gegaan, omdat dit beleid er feitelijk op neer kwam dat geen enkele omzettingsvergunning zou worden verstrekt.

B&W hebben hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank en ook door een aantal procespartijen is in hoger beroep gekomen tegen het specifieke oordeel van de Rechtbank dat er wel een omzettingsvergunningplicht zou gelden voor het middensegment en tegen de specifieke afbakening door de Rechtbank van dit middensegement (de € 310.000,= grens). Het is zodoende wachten op het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Niels Beelaerts van Blokland: beelaerts@salomonsbeelaerts.nl.